Wilhelmus Nicolaas PEIJPERS (1828-1896)
een productief mens...

Toen ik in de eerste jaren van mijn onderzoek al veel vond, heeft mij dat aangezet tot onderstaand gedicht. Het wat en hoe komt ooit ook op deze site te staan.
| "t Bloed kruipt ..." Mijn overgrootpapa liet heel wat sporen na. Het was hem wél gegeven zeer vruchtbaar te leven. -Op tweeërlei front zo doe ik hierbij kond- Voor wat 't geslacht betreft heeft hij heel goed beseft, dat "aan een zijden draad" de voortgang niet vast-staat. Hij hing alleen nog aan een tak en stel dat díe nog brak. Het heeft hem vast bezwaard, zodat hij heeft vergaard: veel kinderen en kindskinderen. En 't mocht hem niet verhinderen, om ook met inkt en pennen de mensheid te verwennen. Geschiedenis en volkstoneel, gelukkig is er nog heel veel van hem hierover op te slaan, zodat u komt te weten hoe W.N. Peijpers zijn leven heeft gesleten. Beja Peijpers, Voorburg, oktober 1992. |
Willem, zoals hij werd genoemd, was dus mijn overgrootvader. Over en van hem heb ik héél veel teruggevonden. Naast de familiefeiten is van en over zijn (toneel)schrijverij en zijn dichtwerk veel bewaard gebleven. Ook het nodige aan recensies van zijn criticasters. De beoordeling was doorgaans: geen hoogstaand literair werk. Wél erkende men, dat hij schreef voor een groot publiek, dat graag naar zijn stukken kwam kijken. Het vermaakte zich kostelijk en maalde er niet erg om, dat Willem zijn fantasie meer liet spreken, dan zijn kennis van (historische) feiten. Met name toneeldirecteuren hebben goed verdiend aan de "kaskrakers" die Willem voor ze produceerde! Des te triester het feit, dat hij zijn laatste jaren in armoede heeft gesleten.
Een overzicht van al wat hij geschreven en vertaald heeft, is te bekijken door hier te klikken. Aanvullingen en correcties op deze lijst zijn uiteraard zeer welkom. Daarover kan gemaild worden naar beja @peijpers.com (wel de spatie voor de apestaart/at verwijderen!)

De feiten en wetenswaardigheden met betrekking tot Wilhelmus Nicolaas Peijpers:
Geboorte en jeugd
Zijn ouders, Arij Peijpers en Anna Wasserval, leefden in Rotterdam, alwaar ze in september 1826 trouwden. Vader was kantoorbediende, moeder was telg uit een geslacht van ambachtslieden en winkeliers. Haar moeder, Magdalena Bal, was echter stadsvroedvrouw en dat kwam van pas, want (oei, foei!) zij bracht al op 29 november 1826 (mede) haar kleindochter Wilhelmina Anna ter wereld. Allen woonden Oppert F 137. Het meisje werd in december 1826 nog gedoopt, maar stierf al in februari 1827. Ruim een jaar later werd Wilhelmus Nicolaas geboren. Wederom was grootmoeder Magdalena Bal de vroedvrouw. De ouders woonden toen Oppert F 134, maar dit kind van Arij en Anna werd geboren op het adres van zijn grootouders van moederszijde, een paar deuren verder, namelijk Oppert F 138. Het kind kwam 'net voor de koffie' ter wereld en wel om 10.00 uur, op 4 maart 1828. Oma Magdalena deed een dag later aangifte van de geboorte. Ze was ook de getuige bij zijn (Nederlands Hervormde) doop in de Zuiderkerk te Rotterdam, op 30-03-1828. Willem werd vernoemd naar zijn grootvaders, in de volgorde van vaders- en moederszijde. Zijn roepnaam werd die van van vaders vader. Het gezinnetje Peijpers verhuisde naar Oost Molenstraat M 320, alvorens daar op 19 februari 1830 een tweede zoon, Nicolaas (roepnaam van moeders vader), weer met behulp van grootmoeder Magdalena Wasserval-Bal, ter wereld kwam. Dit kind overleed echter binnen een maand. Op hetzelfde adres werd vervolgens op 29-06-1831 dochter Johanna Anthonia geboren. Zij werd vernoemd naar vaders oudere zuster, die nog in leven was. Het meisje kreeg als roepnaam Jansje en werd -een maandje later- ook in de Zuiderkerk gedoopt. Grootmoeder Magdalena had bij haar geboorte geen helpende hand uitgestoken. Een collega van haar deed het werk en de aangifte. (Oma overleed vier maanden na deze geboorte). Het gezin Peijpers verhuisde naar Steiger M 427 en daar zag nog zoon Abraham op 17-07-1833 het levenslicht. Nog geen half jaar later sloeg het noodlot toe. Vader Arij liet het leven. Hij overleed (nog geen 30 jaar oud) in het 'Pest- en Dulhuis' te Rotterdam, op 18 december 1833. Mogelijk aan cholera, want dat heerste toen in Rotterdam, op epidemische schaal. Arij's vrouw bleef met drie kleine kinderen achter, op het adres Deltschevaart G 287, zoals werd opgetekend in de Successie Memorie van Arij. En er volgde meer leed in het gebroken gezin. Opa Peijpers had het nooit gekend, oma Peijpers-Baggerman wel, maar zij volgde haar zoon Arij al na 8 dagen! Opa Wasserval was toen de enige grootouder nog in leven. Niet voor lang, want hij stierf vervolgens in oktober 1834. Weduwe Anna verhuisde met haar drie kinderen naar Hang D 8, op welk adres, tot overmaat van ramp, haar ook Jansje (19-07-1836) en Abraham (13-11-1836) nog ontvielen. Wat restte was een moeder met één zoon van slechts acht jaar, halfwees sinds zijn vijfde! Van moederskant waren er nog wel een paar familieleden, maar van vaderskant alleen nog twee tantes, waarvan de oudste in 1835 te Rotterdam met een boekhandelaar getrouwd was. Dat stel had sinds enkele maanden een eerste kind.
Uit de jeugd- en jongere jaren van Willem is (buiten de vele overlijdens in en rond het gezin) vrijwel niets bekend. "Opgeleid voor de boekhandel" is de enige vermelding, die uit die periode stamt. Dat zal dus bij tante en oom Verbruggen-Peijpers zijn geweest! Uit bijlagen -ingeleverd bij zijn eerste huwelijk- bleek dat hij in 1847 in de Torenstraat G 176 woonde. Het betrof een uittreksel van de Nationale Militie waarvan hij was vrijgesteld op grond van enig kind te zijn.

Jong volwassene
Willem moet heel veel gelezen hebben en in
ieder geval ook aardig wat Frans, Engels en Duits hebben geleerd. Daarnaast was
hij al begonnen met het zelf schrijven en dichten van toneelstukken. Op 20 maart 1850
schreef hij aan (acteur) C.J. Roobol te Amsterdam en voegde er een toneelmanuscript bij.
Roobol stuurde hem een antwoord op 8 april 1850, naar het adres Nieuwe Plein 83.
(Het antwoord van Roobol is bewaard gebleven). Blijkbaar had Willem zijn stuk
gestuurd met de vraag het te beoordelen op geschiktheid voor uitvoering.
Daarnaast wilde hijzelf graag bij het toneel aan de slag. Roobol behoorde echter
al vier jaar niet meer tot de 'Directie van de Schouwburg', zo liet hij weten.
Hij schreef Willem, dat hij het stuk aan de -toenmalige- directie ter hand had
gesteld. Over eventuele 'opvoering' kon hij geen uitsluitsel geven. Willem moest
de goedheid hebben, zich bij de "vizerende" directie te vervoegen. Voor wat
betreft de wens om aan het toneel te gaan, liet hij weten, dat men wel met hem
in onderhandeling wilde gaan en dat Willem zich per correspondentie, of in
persoon, kon melden "aan het lokaal van de schouwburg". Vervolgens liet Roobol
("daar ik uw vader kon wezen") de jongeman Peijpers weten, dat het leven van een
toneelspeler geen pretje was. Op Willems leeftijd zag men alles nog "couleur de
rose", maar hij kenschetste het vak als "een hard, steenachtig pad, waar de
hart- en ziel doorvlijmende doornen in menigte en de bloemen uiterst schaarsch
bloeijen". Ongevraagd tekende Roobol een uitgebreide "Bezint eer gij
begint"-tekst op. En toch zag Willem nog "couleur de rose", want hij trok naar
Amsterdam en kwam (op proef) bij Jan Eduard de Vries aan het toneel. Slechts één
seizoen, want het verliep niet naar verwachting. Zowel Willem zelf, als zijn
directeur waren van mening, dat hij als dichter en schrijver nuttiger voor het
toneel zou kunnen zijn. En zo geschiedde!
(oktober 2007)
Wordt vervolgd...